Modellen voor morele discours

Leestijd: 4 minuten

modellen-voor-de-morele-discoursWat betreft de modellen voor de morele discours gaat het hier om stadiumspecifieke criteria. Meer in het algemeen zijn de volgende algemene uitgangspunten van belang bij de keuze van interventies:

  1. Interventies dienen bij te dragen aan het realiseren van de gewenste morele situatie.
  2. Interventies mogen geen schade toebrengen aan het eigenbelang van de beïnvloeder, zulks in relatie met diens tolerantiegrens en draagkracht (‘do no harm’).
  3. Interventies dienen zo min mogelijk schade toe te brengen aan de belangen van anderen.
  4. Interventies moeten zelf bij voorkeur zo min mogelijk in strijd zijn met regels en rechten.

Deze algemene uitgangspunten zeggen eigenlijk niet veel meer, dan dat de gekozen beïnvloe­dings­wijzen zelf fatsoenlijk moeten zijn en dat van de beïnvloeder geen ‘moreel helden­dom’ wordt verwacht.

Het ter sprake brengen van morele inhouden om een meer gewenste morele situatie te realiseren, vergt een bij personen en situatie passende aanpak. Het gaat hier om stadiumspecifie­ke criteria die ontleend zijn aan het in de hoofdstukken drie beschreven uitgewerkte morele ontwikkelingsperspectief.

In de literatuur worden diverse beïnvloedingsmodellen of scenario’s genoemd, die elk eigen vertrekpunten hebben met betrekking tot doelen, werkwijzen en definiëring van de beïnvloedingrelatie, en zie elk zekere aan dat scenario inherente risico’s hebben wat een speciale gebruiksaanwijzing nodig maakt. Morele inhouden kunnen dwingend opgelegd worden door te werken met hetzij straffen, hetzij belonen, kunnen overgedragen worden, verhelderd in allerlei opzichten, maar ook in een argumentatieve discussie onderzocht op houdbaarheid en geldigheid. Soms wordt een apart ontwikkelingsmodel onderscheiden dat er op gericht is, morele inhouden tot ontwikkeling brengen.

Uitgangspunt is hier dat in de Kohlbergiaanse traditie zo’n ontwikkelingsmodel als omvattend kader gebruikt kan worden waarin de andere scenario’s een plaats krijgen en waarmee het aan iedere morele discours inherente dilemma tussen indoctrinatie (‘educatieve vrijheidsberoving’) en vrijblijvendheid (‘educatieve verwaarlozing’, ‘ruimhartig met een afdronk van onverschilligheid’) hanteerbaar gemaakt kan worden. De ene kant van dat dilemma houdt in dat iemand morele inhouden krijgt voorgeschoteld die niet zelfgekozen zijn, de andere kant houdt in dat te weinig aandacht wordt besteed aan de morele juistheid van het een en ander en dat er wordt gesproken in de angstvallige neutrale sfeer van ‘ze zoeken het zelf maar uit’, ‘je moet daarin iedereen vrijlaten’ en ‘je mag mensen niets opdringen’.

Het hier gehanteerde uitgangspunt is dat beïnvloedingsmethoden niet los gezien worden van het betreffende stadium van moreel redeneren van de persoon die beïnvloed wordt en van de specifieke bij dat stadium passende doelen. Dat betekent bijvoorbeeld dat mensen die moreel argumenteren volgens een stadium twee morele oordeelsstructuur, op een andere manier benaderd moeten worden dan zij die zich primair oriënteren op redeneervormen conform stadium drie. Veronder­steld wordt dat ze niet alleen anders argumenteren over morele kwesties, maar ook anders leren. Zij hebben een andere wijze van leren, een andere leerstijl. Onder ‘leerstijl’ versta ik dan hier: het geheel van mogelijk­heidsvoorwaarden dat bepaalt hoe iemand leert en wat de grenzen zijn van de inhouden die geleerd kunnen worden. Een leerstijl bepaalt en beperkt het inhoude­lijke leren. Preconventioneel oordelende personen leren en accepte­ren op andere gronden morele inhouden dan het conventio­neel of postconven­tioneel oordelen­de individu. Zo houdt bijvoorbeeld een begrip als gezag voor een conventioneel oordelend persoon iets geheel anders in dan voor een postconventioneel oordelend persoon. Zo is het dan zaak om personen op hun eigen niveau van moreel redeneren aan te spreken, met de daartoe geëigende methoden.

Het scala van beïnvloedingsmodellen omvat:

   conditionering, habituering, gewenning of (waarbij straf, dwang en beloning een dominan­te rol spelen),

   overdracht van conven­ties en andere morele inhouden gericht op de verinnerlijking daarvan

   verheldering van reeds in iemand aanwezige morele inhouden

–   voorhouden en uitspellen van scenario’s: het scenaristmodel

–   communicatie over morele inhouden in de zin van morele argumentatie en toetsing van morele keuzes en argumentaties op juistheid.

Deze modellen kunnen in schema gezet worden met de onderschei­den stadia van morele ontwikkeling, waarbij het van groot belang is daarbij het hiervoor al bespro­ken onder­scheid tussen ­horizontale beïnvloeding (versteviging) en ­verticale beïnvloeding (ontwikkeling) in acht te nemen. Vanuit ontwikkelingsperspectief kan zowel voorkomen worden dat ontwikkeling stagneert als dat ontwikkeling onverantwoord accelereert: uitgangsgedachte is dat de verticale ontwikkeling door de stadia heen een horizontaal doorlopen van elk afzonderlijk stadium vereist. Inhoudelijk gaat om het voorwaardelijk verband tussen enerzijds de gezindheid die getuigt van een intrinsieke binding met morele regels en anderzijds de gezindheid die kenmerkend is voor een oprechte betrokkenheid bij het moreel redeneren. Het gaat om de logische relatie van voorwaardelijkheid tussen een intrinsieke binding met morele regels via een zeker engagement met morele kwesties en een oprechte betrokkenheid bij het kritische morele denken. In schema:

 

 

oogmerk:

niveau van

moreel redeneren:

 

versteviging

 

ontwikkeling

 

preconventioneel

 

habituéring

impliciet leren/ over­dracht van conventies
 

conventioneel

 

 

overdracht/
verheldering van conventies

 

 

impliciet leren/ verhelderen
van conventies/ argumentatie

 

postconventioneel

 

 

argumentatie

 

expliciet leren/ meta-argumentatie

Het voorhouden van scenario’s is een werkwijze die in meerdere situaties ingezet kan worden, zij het niet op dezelfde wijze, dat wil ook hier zeggen: stadiumspecifiek.

Wat houden deze modellen voor het morele gesprek precies in, waarom zijn ze gekoppeld aan niveaus en stadia van moreel redeneren, missen ze buiten die niveaus hun werkzaamheid en kunnen zelfs contraproductief werken? Zo wordt dan al meteen duidelijk dat een gedragsgerichte aanpak het meest geschikt is voor pre-conventio­nelen, en cognitief gerichte methoden voor conventionelen en argumentatiegerichte methoden voor post-con­ventionelen.

De vijf modellen voor de morele discours kunnen via de links worden geraadpleegd, het conditioneringsmodel, het overdrachtsmodel, het verhelderingsmodel, het scenaristmodel en het morele argumentatiemo­del.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *