Het werk van Stephen R. Covey wordt frequent gereduceerd tot een verzameling toegankelijke gedragsadviezen voor persoonlijke effectiviteit. Een dergelijke interpretatie doet echter geen recht aan waar het in The 7 Habits of Highly Effective People werkelijk om draait. Covey presenteert in zijn boek een normatief kader dat vertrekt vanuit een fundamentele aanname, namelijk dat duurzaam effectief handelen uitsluitend mogelijk is wanneer gedrag werkelijk geworteld is in onderliggende principes.
Centraal in zijn benadering staat niet wat mensen doen, maar vanuit welk denkkader zij vertrekken en derhalve handelen. Covey gebruikt hiervoor het begrip paradigma, inhoudende de wijze waarop individuen de werkelijkheid waarnemen, interpreteren en betekenis geven. Zonder een verschuiving in dit paradigma – een paradigm shift – blijft gedragsverandering volgens hem oppervlakkig, tijdelijk en sorteert dit derhalve geen duurzaam positief effect. De zeven eigenschappen moeten in dat licht dus niet worden beschouwd als louter technieken, maar als uitwerkingen van een bepaald denkkader.
In het verlengde hiervan maakt Covey een onderscheid tussen de personality ethic en character ethic. In de eerste benadering wordt effectiviteit gezocht in technieken, beïnvloeding en presentatie. Deze benadering richt zich op het aanpassen van gedrag, zonder het onderliggende denkkader ter discussie te stellen. Volgens Covey leidt dit hooguit tot tijdelijk resultaat.
Daartegenover plaatst Covey de character ethic, waarin effectiviteit voortvloeit uit principes zoals integriteit, consistentie en verantwoordelijkheid. Gedrag is in deze benadering geen startpunt, maar derhalve een gevolg. Effectiviteit kan daarmee niet los worden gezien van karakter.
De zeven eigenschappen beschrijven binnen dit kader een ontwikkelingslijn van afhankelijkheid naar onafhankelijkheid en uiteindelijk naar wederzijdse afhankelijkheid. Tegelijkertijd presenteert Covey deze principes als universeel en tijdloos, overigens zonder deze empirisch te onderbouwen. Zijn werk is daarmee in essentie normatief van aard.
Onderstaand een beknopte uiteenzetting van de 7 door Covey geduide eigenschappen wat betreft effectief leiderschap, gevolgd door enkele kanttekeningen die geplaatst kunnen worden.
Eigenschap 1: Wees proactief (Be proactive)
Covey gebruikt het begrip proactiviteit niet in de alledaagse betekenis van initiatief nemen. Hij vertrekt vanuit een meer fundamenteel uitgangspunt, namelijk dat mensen beschikken over het vermogen om te kiezen hoe zij reageren op externe prikkels. Tussen stimulus en respons bevindt zich een ruimte waarin bewustzijn, waarden en keuzevrijheid samenkomen.
Binnen deze ruimte ligt volgens Covey de kern van menselijke effectiviteit. Individuen die hun gedrag laten bepalen door omstandigheden, handelen reactief en blijven afhankelijk van externe factoren. Proactieve individuen daarentegen baseren hun handelen op interne principes. Zij definiëren hun gedrag niet door wat hen overkomt, maar door hoe zij zich daartoe verhouden.
Dit onderscheid concretiseert Covey in het verschil tussen de circle of concern en de circle of influence. Waar reactief gedrag zich richt op zaken buiten de directe invloedssfeer, richt proactief handelen zich op datgene waar daadwerkelijk invloed kan worden uitgeoefend. Door consequent binnen deze invloedssfeer te handelen, kan deze zich geleidelijk uitbreiden.
Proactiviteit vormt daarmee het vertrekpunt van het denkkader: zonder eigenaarschap over het eigen handelen is verdere ontwikkeling niet mogelijk.
Eigenschap 2: Begin met het einde voor ogen (Begin with the end in mind)
Waar de eerste eigenschap betrekking heeft op verantwoordelijkheid, richt de tweede zich op richting. Covey stelt dat elk menselijk handelen tweemaal tot stand komt: eerst als mentale creatie en vervolgens als fysieke realisatie. Zonder bewuste mentale creatie ontstaat handelen dat wordt gestuurd door externe verwachtingen en toevallige omstandigheden.
Om dit te voorkomen introduceert Covey het concept van een persoonlijke missie. Deze missie fungeert als normatief referentiekader voor keuzes en gedrag. Zij geeft richting aan handelen, niet alleen in termen van doelen, maar vooral in termen van waarden en identiteit.
De essentie van deze eigenschap ligt daarmee niet in planning, maar in positionering: wie iemand wil zijn en op grond waarvan keuzes worden gemaakt. Zonder deze explicitering blijft handelen fragmentarisch en inconsistent.
Eigenschap 3: Belangrijke zaken eerst (Put first things first)
De derde eigenschap vormt de praktische consequentie van de eerste twee. Waar proactiviteit en richting het fundament leggen, gaat deze eigenschap over de vertaling naar dagelijks handelen.
Covey maakt onderscheid tussen urgentie en importantie en stelt dat effectief handelen zich richt op activiteiten die bijdragen aan de lange termijn, ook wanneer deze niet direct urgent zijn. Dit betreft onder meer reflectie, relatieontwikkeling en strategische voorbereiding.
Het vermogen om deze activiteiten prioriteit te geven vraagt om discipline en zelfbeheersing. Covey benadrukt dat dit geen kwestie is van tijdmanagement, maar van zelfmanagement, inhoudende het vermogen om gedrag consistent in lijn te brengen met eerder gekozen principes.
Binnen deze eigenschap speelt het begrip habit een centrale rol. Covey definieert een gewoonte als de samenhang tussen kennis, vaardigheid en motivatie. Zonder deze integratie blijft effectief gedrag tijdelijk en instabiel.
Eigenschap 4: Denk win-win (Think Win-Win)
Na het ontwikkelen van zelfsturing verschuift de focus naar de relatie met anderen. Covey verwerpt in dit kader zowel competitief denken als aanpassingsgedrag. Beide benaderingen zijn gebaseerd op schaarstedenken en leiden uiteindelijk tot suboptimale uitkomsten.
Daartegenover plaatst hij een benadering gebaseerd op wederzijds voordeel. Think Win-Win veronderstelt dat samenwerking pas duurzaam is wanneer alle betrokkenen er voordeel in ervaren. Dit vraagt om een fundamentele overtuiging die Covey aanduidt als een abundance mentality, ofwel het idee dat er voldoende ruimte is voor meerdere partijen om succesvol te zijn.
Deze eigenschap is geen onderhandelingstechniek, maar een uitdrukking van karakter. Zij veronderstelt integriteit en volwassenheid: het vermogen om zowel eigen belangen als die van anderen serieus te nemen. Wanneer een wederzijds voordelige uitkomst niet mogelijk is, is het beter om geen overeenkomst te sluiten.
Eigenschap 5: Eerst begrijpen, dan begrepen worden (Seek first to understand, then to be understood)
Wat betreft relaties ziet Covey communicatie primair als een proces van begrijpen. Hij maakt onderscheid tussen luisteren met de intentie om te reageren en luisteren met de intentie om daadwerkelijk te begrijpen.
Effectieve communicatie begint bij empathisch luisteren: het vermogen om het referentiekader van de ander volledig te doorgronden zonder dit direct te beoordelen. Pas wanneer dit begrip is bereikt, ontstaat ruimte om zelf begrepen te worden.
Deze eigenschap hangt samen met de emotional bank account. Relaties functioneren als een vertrouwensbalans, waarin gedrag kan leiden tot opbouw of afbraak van vertrouwen. Zonder voldoende vertrouwen verliest communicatie zijn effectiviteit.
Eigenschap 6: Synergie (Synergize)
De zesde eigenschap beschrijft het hoogste niveau van samenwerking. Waar eerdere eigenschappen de basis leggen voor wederzijds begrip en vertrouwen, richt synergie zich op het benutten van verschillen als bron van waardecreatie.
Effectieve samenwerking bestaat niet uit compromis, maar uit het creëren van nieuwe oplossingen die individueel niet mogelijk zouden zijn. Verschillen in perspectief, ervaring en benadering worden daarbij niet gezien als obstakel, maar als noodzakelijke voorwaarde voor betere uitkomsten.
Synergie vereist een context van vertrouwen en openheid. Alleen wanneer perspectieven daadwerkelijk worden geïntegreerd, ontstaat een kwalitatief hogere uitkomst.
Eigenschap 7: Houd de zaag scherp (Sharpen the saw)
De zevende, en laatste, eigenschap vormt de voorwaarde voor de duurzaamheid van de voorgaande zes eigenschappen. Effectiviteit is geen statische toestand, maar een proces dat voortdurende vernieuwing vereist.
Covey onderscheidt hier vier dimensies, namelijk (1) fysiek, (2) mentaal,(3) sociaal-emotioneel en (4) spiritueel. Deze dimensies zijn onderling verbonden en vereisen structurele aandacht. Verwaarlozing van één dimensie werkt door in de andere en ondermijnt het geheel.
Deze eigenschap onderstreept dat effectiviteit niet alleen afhankelijk is van handelen, maar ook van het vermogen om dat handelen voortdurend te onderhouden en te vernieuwen.
De ontwikkellogica volgens Covey
De ordening van de zeven eigenschappen maakt duidelijk dat Covey effectiviteit niet beschouwt als een verzameling los toepasbare gedragingen, maar als een normatief opgebouwd (denk)kader waarin de volgorde zelf betekenis draagt. De eigenschappen zijn niet uitwisselbaar en kunnen niet willekeurig worden toegepast zonder de onderliggende samenhang te verliezen.
Effectiviteit wordt expliciet conditioneel gemaakt. Eigenschappen die betrekking hebben op samenwerking en interactie veronderstellen dat eerdere vormen van ontwikkeling reeds zijn gerealiseerd. Daarmee verschuift effectiviteit van een situationeel begrip naar een sequentieel begrip: niet alles is op elk moment mogelijk.
Deze opbouw impliceert dat veel pogingen om samenwerking te verbeteren zich richten op het verkeerde niveau. Wanneer de onderliggende voorwaarden ontbreken, worden interventies gericht op communicatie of samenwerking gereduceerd tot oppervlakkige afstemming, zonder structureel effect.
Tegelijkertijd maakt de plaatsing van de zevende eigenschap duidelijk dat deze ontwikkeling niet lineair is. Effectiviteit vraagt om herhaling en onderhoud. Zonder voortdurende vernieuwing verliest eerder ontwikkeld gedrag zijn consistentie en werking.
De kracht van het normatieve model ligt daarmee niet in de afzonderlijke eigenschappen, maar in de veronderstelde samenhang en volgordelijkheid ervan. Het stelt impliciet grenzen aan wanneer en onder welke voorwaarden bepaald gedrag effectief kan zijn.
Welke kanttekeningen kunnen worden geplaatst bij het werk van Covey?
Hoewel het werk van Stephen R. Covey een grote invloed heeft gehad op het denken over leiderschap en persoonlijke effectiviteit, kunnen er diverse kanttekeningen bij de inhoud en samenhangende aannames worden geplaatst:
-
Normatief in plaats van empirisch onderbouwd
Een eerste en meest wezenlijke kritiek betreft het karakter van het het model. Covey presenteert zijn principes als universeel en tijdloos, echter is de claim niet empirisch onderbouwd. Zijn werk is primair gebaseerd op filosofische en normatieve aannames, aangevuld met praktijkervaring. In wetenschappelijke literatuur wordt effectiviteit doorgaans benaderd als een contextafhankelijk en meetbaar fenomeen (Yukl, 2013; Northouse, 2022). In tegenstelling tot deze benadering abstraheert Covey effectiviteit tot een set van algemene principes, zonder systematische toetsing of operationalisering. Dit maakt het model moeilijk verifieerbaar en beperkt de wetenschappelijke status ervan (Ghoshal, 2005). - Universele geldigheid versus contextafhankelijkheid
Covey veronderstelt dat principes zoals integriteit, wederzijds voordeel en empathie universeel toepasbaar zijn. Vanuit organisatie- en gedragswetenschappelijk perspectief wordt deze aanname betwist. Onderzoek naar leiderschap en cultuur laat zien dat effectief gedrag sterk afhankelijk is van context, zoals nationale cultuur, machtsstructuren, institutionele omgeving en sector (Hofstede, 2001). Wat in de ene context als effectief wordt beschouwd, kan in een andere context juist ineffectief zijn. Covey’s model abstraheert deze variabelen grotendeels weg, waardoor het risico ontstaat dat het te generiek wordt toegepast. - Overschatting van individuele maakbaarheid
Een derde kanttekening betreft de sterke nadruk op individuele verantwoordelijkheid. Covey positioneert effectiviteit primair als een gevolg van persoonlijke keuzes en karakterontwikkeling. Binnen de hedendaagse organisatiekunde wordt echter benadrukt dat gedrag mede wordt gevormd door structuren, systemen, prikkels en machtsverhoudingen (Mintzberg, 2009; Pfeffer, 2010). Door deze factoren relatief onderbelicht te laten, ontstaat een beeld waarin individuen in hoge mate zelf verantwoordelijk zijn voor hun effectiviteit, terwijl de invloed van de context substantieel kan zijn. - Sequentiële ontwikkelingslogica is niet empirisch gevalideerd
Covey veronderstelt een vaste ontwikkelingsvolgorde: eerst onafhankelijkheid, daarna wederzijdse afhankelijkheid. Deze sequentiële logica vormt de kern van zijn model. Wetenschappelijk onderzoek naar leiderschap en ontwikkeling laat echter zien dat dergelijke processen vaak niet-lineair verlopen, contextafhankelijk zijn en gelijktijdige ontwikkeling van verschillende capaciteiten vereisen (Argyris, 1991). Het idee dat bepaalde vormen van effectiviteit pas mogelijk zijn na het doorlopen van eerdere stadia is daarmee eerder een normatieve aanname dan een empirisch vastgesteld patroon. - Beperkte conceptualisering van macht en conflict
Covey’s model is sterk gericht op harmonie, wederzijds begrip en samenwerking. Concepten zoals win-win en synergie veronderstellen dat belangen uiteindelijk te verenigen zijn. Ook hier geldt wederom dat organisaties te maken hebben met structurele belangenconflicten, machtsverschillen en asymmetrische afhankelijkheden (Pfeffer, 2010). In dergelijke situaties is wederzijds voordeel niet altijd haalbaar. Het model biedt beperkte handvatten voor situaties waarin belangen fundamenteel botsen of waarin macht ongelijk verdeeld is. - Onduidelijke operationalisering van kernbegrippen
Veel kernbegrippen in Covey’s model, zoals effectiviteit, karakter en principes, blijven relatief abstract en normatief geformuleerd. Dit leidt tot beperkte meetbaarheid en ruimte voor interpretatie (Yukl, 2013). Binnen wetenschappelijk onderzoek is juist precisie in definities noodzakelijk om concepten te kunnen toetsen en vergelijken. Het begrippenkader maakt dit moeilijk.
Conclusie
De kracht van Covey’s werk is gelegen in de interne consistentie en de normatieve helderheid waarmee hij een visie op effectief handelen presenteert. Tegelijkertijd ligt precies daar ook de beperking: het werk is primair filosofisch en minder geschikt als empirisch toetsbaar kader.
De kritiek richt zich daarom niet zozeer op de wenselijkheid van de principes die Covey beschrijft, maar op de aannames over universaliteit, maakbaarheid en volgordelijkheid die Covey eraan verbindt. Effectiviteit blijkt in de praktijk minder eenduidig, minder lineair en sterker contextafhankelijk dan het model suggereert.
LITERATUUR
- Argyris, C. (1991). Teaching smart people how to learn. Harvard Business Review, 69(3), 99–109.
- Covey, S. R. (1989). The 7 habits of highly effective people: Restoring the character ethic. Free Press.
- Ghoshal, S. (2005). Bad management theories are destroying good management practices. Academy of Management Learning & Education, 4(1), 75–91.
- Hofstede, G. (2001). Culture’s consequences: Comparing values, behaviors, institutions and organizations across nations (2nd ed.). Sage Publications.
- Mintzberg, H. (2009). Managing. Berrett-Koehler.
- Pfeffer, J. (2010). Power: Why some people have it—and others don’t. HarperBusiness.
- Yukl, G. (2013). Leadership in organizations (8th ed.). Pearson.
Winstgevendheid verhogen en uw bedrijf in waarde laten toenemen?
UBS Business Value Creation Services ondersteunt organisaties bij het verhogen van winst- en bedrijfswaarde. Ons team focust zich hierbij op domeinen die de grootste impact hebben op het bedrijfsresultaat. Lees meer →




Reageer op dit bericht