Bestaansrecht

Een organisatie heeft bestaansrecht als zij producten of diensten aanbied die voorzien in een behoefte in de markt. Hiervoor in ruil moet zij voldoende middelen krijgen om het produceren mogelijk te maken. Als niemand (klanten) middelen van bestaan wil geven aan de organisatie, is deze geen lang leven beschoren. Ook als je verlies maakt, maar de overheid is bereid subsidie te geven dan heb je bestaansrecht. De organisatie zal iets unieks moeten hebben om zich te onderscheiden van andere organisaties. Bestaansrecht heeft dus een grote verwantschap met strategie maar omvat meer:

Inrichting
Om goederen of diensten te leveren heeft de organisatie middelen nodig. De middelen waarover de organisatie beschikt en de manier waarop deze zijn gerangschikt geven aan de organisatie bestaansmogelijkheden. Het gaat hier om twee soorten middelen: materiële en intellectuele. Bij materiële middelen gaat het om: grond, gebouwen, computers, communicatie-apparatuur, machines etc.

De rangschikking van de middelen maakt de organisatie tot wat zij is. Geen enkele student is gebaat bij een school met geavanceerde apparatuur en een docent die niet met de apparatuur overweg kan en de kennis niet heeft om het vak te doceren. Wat moet een patiënt met een arts die de digitale foto niet kan lezen en geen diagnose kan stellen?
Een organisatie wordt gekenmerkt door haar structuur. De manier waarop de verdeling van arbeid, macht, kennis en verantwoordelijkheden is geregeld. De inrichting, de structuur, moet doelmatig zijn om voldoende rendement uit mensen en materiële middelen te halen.

Leefbaarheid
De derde bestaansvoorwaarde, leefbaarheid, wordt bepaald door de verhouding tussen de lasten die de organisatie voor de medewerkers veroorzaakt en de baten die deelname aan de organisatie hen oplevert.
De baten houden verband met de wijze waarop de organisatie is ingericht en de mate waarin de medewerkers zich met de doelstellingen van de organisatie kunnen vereenzelvigen.
Elke organisatie moet arbeidsvoorwaarden scheppen die door de werknemers worden gekwalificeerd als “voldoende leefbaar”. Wat voldoende leefbaar is, wordt bepaald door de omstandigheden van dat moment. Als de arbeidsmarkt “overspannen” is kunnen de werknemers hun eisen opschroeven en omgekeerd.
Als er sprake is van een hoog ziekteverzuim of een groot verlooppercentage is dat een indicatie voor een niet leefbare organisatie.

Het gaat hierbij om:

  • Inrichting van functies;
  • Eentonig werk;
  • De manier waarop leiding wordt gegeven;
  • Teamwerk en inspraak;
  • Beloning;
Deel dit artikel

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *