Cognitieve Middelen Theorie van Fiedler & Garcia

In de CRT- theorie, ofwel de Cognitieve Middelen Theorie, tracht Fiedler enkele van de (resterende) leiderschapsvragen op te lossen. Deze resterende leiderschapsvragen houden verband met, en vloeien voort uit, de door Fielder eerder ontwikkelde contingentietheorie:
Alhoewel generiek wordt verondersteld dat intelligentere en meer ervaren leiders beter presteren in vergelijking tot leiders met minder intelligentie en minder ervaring, werd deze veronderstelling niet ondersteund door de contingentietheorie van Fiedler.
Om die reden ontwikkelde Fielder & Garcia de Cognitieve Middelen Theorie ter aanvulling van de contingentietheorie.
De Cognitieve Middelen Theorie bestaat uit zeven hypotheses en worden onderstaand beknopt weergegeven.

  1. Intelligente leiders presteren beter bij weinig stress.
    Indien er sprake is van teveel stress, kan een hoge graad van intelligentie een negatief effect hebben. Een mogelijke verklaring is dat een intelligent persoon rationele oplossingen zoekt die niet altijd beschikbaar zijn. In een dergelijk geval wordt de leider gedwongen om een beslissing te nemen op grond van wat goed voelt, waar hij niet altijd mee vertrouwd is. Een andere reden is dat de leider zichzelf terugtrekt om over het probleem na te denken en zo de groep aan zijn lot overlaat.

  2. Intellectuele vermogens van een leider met een directieve stijl correleren meer met de prestatie dan de intellectuele vermogens van een leider met een niet-directieve stijl.
    Intelligente leiders moeten hun mensen derhalve vertellen wat ze moeten doen in plaats van te hopen dat het team akkoord zal gaan met hen.

  3. De beslissingen van de leiders zullen slechts worden uitgevoerd wanneer de groep handelt naar de richtlijnen van de leider. Daarom zal de correlatie tussen de leiders intelligentie en de prestatie groter zijn wanneer de groep achter de leider staat dan wanneer de groep hem niet steunt.

  4. Wanneer de leider niet-directief is en de groep ondersteunend is, zullen de intellectuele vermogens van de groepsleden correleren met de prestatie. Wanneer leiders niet intelligenter zijn dan hun team gebruiken ze derhalve beter een niet-directieve stijl. Op deze manier is het mogelijk om een discussie te organiseren waarin verschillende ideeën naar boven komen en uiteindelijk de beste gekozen kan worden.

  5. De intellectuele vermogens van de leider zullen slechts bijdragen tot de groepsprestatie als de taak deze vermogens vereist. Wanneer de ondergeschikten taken krijgen die geen onmiddellijke ondersteuning nodig hebben, maakt het niet uit hoe goed een leider beslissingen kan nemen. Wanneer beslissingen zelfs voor ondergeschikten gemakkelijk zijn om te maken, is er geen verdere begeleiding vereist.

  6. Ervaren leiders zullen beter presteren onder hoog stressniveau dan niet ervaren leiders. Wanneer er een situatie ontstaat waar het stressniveau hoog ligt en waardoor het belang van intelligentie afzwakt, zorgt ervaring in gelijkaardige situaties voor een gepaste reactie. Ook ervaring met beslissingen nemen onder stress zal bijdragen tot een betere beslissing dan het probleem te doorworstelen met enkel cognitief vermogen.  

  7. Directief gedrag is gedeeltelijk bepaald door de LPC-schaal (Least Preferred Coworker Score) en situationele controle.

Er dient opgemerkt te worden dat er ook kritiek is op de CMT: het lijkt in strijd te zijn met Fiedler’s contingentiemodel. Het doel van Fiedler’s contingentiemodel is om de effectiviteit van de leiderschapsstijl gegeven de situatie te bepalen. De cognitieve middelen theorie maakt evident dat er nog enkele andere situationele factoren zijn, zoals stress en cognitieve vermogens, die een effect hebben op de effectiviteit van de leiderschapsstijl.
Wanneer de contingentietheorie valide is, dan is de cognitieve middelen theorie overbodig; als de cognitieve middelen theorie correct is, dan is de contingentietheorie ongeldig.

LITERATUUR
Scholz, C. (1988), Fred E. Fiedler, Joseph E. Garcia: New approaches to effective leadership. Cognitive Resources and organizational performance, Organization Studies (Walter de Gruyter GmbH & Co. KG.), 1988, Vol. 9 Issue 2, pp 275-277.

Deel dit artikel

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *