Modellen

Het VESIt-model

Leren in de praktijk is gebaseerd op concrete ervaringen en gebeurt veelal onbewust. Ook bij Action Learning ontwikkelen deelnemers praktische kennis door het opdoen van concrete ervaringen op de werkvloer. In Action Learning groepen wordt deze kennis bewerkt waarbij erover na te denken en erover te praten als eerste stap geldt. Dit soort kennis beklijft doorgaans beter omdat je er iets aan hebt bij het feitelijk handelen. Dit type kennis duidt men ook wel aan als de theorie met de kleine t. De theorie met de kleine t kan een brug vormen naar de Theorie met de grote T.
Het VESIt-model, ontwikkeld door Fred Korthagen, Ko Melief en Anke Tigchelaar, is een manier om de verbinding tot stand te brengen. Het model kent de navolgende fasering en wordt onderstaand beknopt uiteengezet:

  • Voorstructureren: bepalen waarop gefocussed wordt.
  • Ervaringen uitwisselen
  • Structuur aanbrengen in de ervaringen
  • Inzoomen
  • theorie toevoegen  

Voorstructureren
De eerste stap betreft het voorstructureren. De docent geeft aan het begin van de bijeenkomst het thema aan waarbinnen studenten kunnen reflecteren. Vervolgens is de vraag aan de studenten om binnen dit thema een succeservaring te benoemen. Het gaat hier doorgaans vooral bij een succeservaring uit de praktijk. De ervaring leert dat studenten het ingewikkeld vinden om te benoemen wat er goed gaat en waarom het goed gaat. Het met elkaar identificeren wat er goed gaat geeft studenten nieuwe mogelijkheden om te experimenteren en om hun ervaring om te zetten in nieuwe vaardigheden. Het onderzoeken van een succeservaring genereert een positief proces en draagt bij aan een positief zelfbeeld.
In tegenstelling tot andere reflectietools staat bij dit model niet één inbrenger centraal, maar gaat het om de succeservaringen van alle aanwezigen. Dit kan bijvoorbeeld door een opdracht te geven om in tweetallen elkaar de succeservaring met een bepaald thema in de afgelopen week te vertellen.
Ook kan de docent de groep vragen om een succeservaring met dit thema te bedenken en één persoon zijn succesverhaal laten vertellen voor de hele groep. De docent stelt dan vragen, diept het voorbeeld uit en geeft vervolgens de opdracht om in tweetallen de ervaringen uit te wisselen.

Ervaringen uitwisselen
De tweetallen vertellen om beurten een succeservaring, waarbij de een vertelt, de ander actief luistert en vragen stelt. Als de beide succesverhalen zijn uitgediept, geeft de docent de opdracht om te inventariseren welke factoren bijdragen aan dat succes. Wat maakt de gebeurtenis volgens hen tot een succes? Elk tweetal maakt een eigen lijstje. Daarna inventariseert de docent op het bord alle bevindingen van de studenten. Het resultaat is naar alle waarschijnlijkheid een lange lijst met uiteenlopende factoren.

Structuur aanbrengen
De studenten kunnen nu gezamenlijk met de docent de samenhangende factoren clusteren.
Het clusteren kan bijvoorbeeld door het maken van een mindmap, of door de factoren op post-its te schrijven en de post-its met samenhangende factoren bij elkaar te plakken.
Door het structureren ontstaat een overzicht met nieuwe gezichtspunten en/of aanknopingspunten.
Nu kan er een keuze worden gemaakt voor een onderwerp waarmee de deelnemers verder gaan, het zogenaamde inzoomen.

Inzoomen
Door in te zoomen op een onderwerp kan er een verbinding worden gelegd met een theorie die bij dat onderwerp past. Het inzoomen op een onderwerp kan met behulp van een vraag. Bijvoorbeeld in een bijeenkomst voor docenten met het thema ‘Wat is een goede les?’ werd de vraag gesteld ‘Hoe maak je een goed opgebouwde les ook aantrekkelijk?’ De deelnemers inventariseerden in tweetallen wat ieder zelf voor manieren had om een les aantrekkelijk te maken. Vervolgens gaf iedere deelnemer aan vanuit welke theorie, model of schema’s hij werkt. Door de inventarisatie op het bord te maken, kwam er een lijst met verschillende theorieën, modellen en praktische tips om een goed opgebouwde les aantrekkelijk te maken. Een andere manier is om studenten te vragen om op zoek te gaan naar volgens hen passende theorieën en/of modellen. In de volgende bijeenkomst kan daar dan weer op worden voortgeborduurd.

theorie toevoegen

De theorie bij het VESIt-model is concreet. Hierbij kan worden gedacht aan een model of een vuistregel.
Door de succeservaring opnieuw, maar dan vanuit het model te bekijken, krijgen de deelnemers zicht op hun handelen en worden de handelingsmogelijkheden groter. Door de koppeling aan de theorie krijgt de deelnemer concrete aanwijzingen wanneer hij wat kan doen, op welk moment.

Afronding
Deze stap wordt afgesloten door studenten een verbinding te laten maken met de verschillende handelingsmogelijkheden. Daarom vraagt de docent de studenten om in tweetallen met elkaar te bespreken:

  • Wat doe je al?
  • Wat zou je anders kunnen doen?
  • Waarmee ga jij experimenteren?

De studenten leggen hun bevindingen en voornemens vast en nemen ze op in hun portfolio.

Hoe kan het VESIt-model worden gebruikt bij Action Learning?
Het VESIt-model is bedoeld om met groepen te reflecteren op praktijkervaringen.
Randvoorwaarden voor gebruik betreffen:

  • Studenten zijn werkzaam in de beroepspraktijk;
  • In het curriculum is tijd ingeroosterd waarin studenten gezamenlijk reflecteren op en leren van praktijkervaringen;
  • Groepsgrootte: ongeveer 20 studenten.

Werkwijze

Stap 1

Voorstructureren

De begeleider benoemt (in overleg met de deelnemers) een thema dat aansluit bij de deelnemers. De deelnemers vertellen in tweetallen een actuele succeservaring rondom dit thema aan elkaar, waarbij de één vertelt en de ander actief luistert en vragen stelt.

15 minuten

 

Stap 2

Ervaring

De begeleider vraagt aan de deelnemers welke factoren bijdragen aan die ervaring: wat maakt deze ervaring tot een succes?

De deelnemers diepen de ervaring in tweetallen verder uit. De tweetallen schrijven factoren die leiden tot succes op een post-it.

10 minuten

 

Stap 3

Structureren

De begeleider clustert in samenspraak met de deelnemers de factoren die met elkaar te maken hebben. Dit kan door bijvoorbeeld een mindmap te maken met behulp van de post-its, of door het inventariseren van overeenkomsten en verschillen. Door het structureren komt er een overzicht met nieuwe gezichtspunten/aanknopingspunten.

10 minuten

 

Stap 4

Inzoomen

De deelnemers maken met behulp van de begeleider een keuze voor een onderwerp. Door in te zoomen op dit onderwerp kan er een verbinding worden gelegd met een bij dat onderwerp passende theorie. Om tot verdere verdieping van de ervaringen te komen is de uitwerking van één onderwerp per bijeenkomst voldoende.

10 minuten

 

Stap 5

 

Theorie

De passende theorie uit stap 4 is concreet en vooral bedoeld om vuistregels te formuleren voor het handelen.

15 minuten

 

Stap 6

Afronding

Door vanuit de theorie opnieuw naar het onderwerp te kijken en met elkaar te bespreken wat dit betekent voor het handelen, komen de deelnemers met elkaar tot (nieuwe) handelingsmogelijkheden. Het geeft de deelnemer concrete aanwijzingen wanneer hij wat kan doen, op welk moment. Deze stap wordt afgesloten met het formuleren van voornemens.

15 minuten

 

 

Benodigde tijd

75 minuten

 

 

Deel dit artikel

Over de auteur

Redactie

De redactie wordt verzorgd door Nomair van Wijk (organisatieadviseur) en Ruben de Bruijn.
Voor vragen kunt u contact opnemen met de redactie via info[at]managementplatform.nl of bel +(31)6-57912496.

Hebt u inhoudelijke vragen en/of zoekt u ondersteuning bij een organisatievraagstuk?
Neem ook dan gerust contact met ons op. Een team van adviseurs staat u voor u klaar.

Reageer op dit bericht

Klik hier om een reactie achter te laten

Aanbevolen

Advertentie

Advertentie