Change management Kennisbank Leiderschap Management Management Modellen

Drie methodes bij morele beïnvloeding

drie-methodes-bij-morele-beinvloedingEr zijn een aantal methoden te onderscheiden als het gaat om morele beinvloeding, zoals discussie in groep of team (al dan niet met behulp van de dilemmamethode) bevordering van (wederzijdse) empathie door middel van dramatechnieken (zoals rollenspel), bespreken van ervaringen en kritieke incidenten.
Dit artikel gaat in op de drie werkwijzen: de dilemmamethode, het rollenspel en het stellen van stadiumspecifieke vragen. Hoewel deze werkwijzen ook bij de lagere stadia van morele ontwikkeling hun nut kunnen hebben, ligt de grootste werkzaamheid in de stimulering van de overgang van conventio­neel naar postconventione­le niveaus van moreel redeneren.

(1) De dilemmamethode
Er gaat een forse beïnvloedende werking van deze methode uit. Door mensen morele dilemma’s voor te schotelen, worden ze aan het denken gezet en zullen ze zich wellicht ontwikkelen. Daarom wordt de dilemmamethode nog eens genoemd bij de beïnvloedingsmethoden.
De dilemmamethode houdt – zoals we al gezien hebben – in dat er een verhaal wordt gepresenteerd waarin een moreel dilemma aan de orde komt. Dit dilemma kan zowel door de discussieleider worden ingebracht als door de deelnemers. Het gaat in die verhalen­ doorgaans om de confrontaties tussen wettelijke en morele verplichtingen, autori­teit en contract, private en publieke verantwoordelijkheden. Het hoeft niet per te gaan om de dwingende keuzen tussen twee ‘kwaden’, fout-versus-fout (waarbij je dus altijd vuile handen maakt en het dus nooit goed doet). Een moreel dilemma kan ook bestaan uit een goed-versus-goed dilemma (zie daarover ook hoofdstuk twee). Daarin moet worden gekozen uit meerdere alternatieven die niet tegelijkertijd kunnen worden gekozen, waarbij voor elk alternatief goede argumenten zijn te geven en waarbij onvermijdelijk morele kosten ontstaan omdat aan toch legitieme argumenten geen of onvoldoende gehoor kan worden gegeven omdat andere argumenten zwaarder wegen. Dat zal steevast leiden tot gevoelens van spijt omdat niet beide ‘goeden’ gehonoreerd konden worden.

Terzijde: de benaming dilemmamethode of dilemmatraining is in zekere zin ongelukkig gekozen. Een dilemma suggereert de dwingende keuze uit twee mogelijkheden, terwijl er in werkelijkheid vaak wel meer opties zullen zijn. De eerste stap in een dilemmaonderzoek zou dan ook moeten zijn dat nagegaan wordt of het wel een echt dilemma betreft en niet veelmeer een trilemma, een quadrilemma (et cetera).

Voorts moet voorkomen worden dat het verhaal zo wordt gebracht dat de twee (of meer) alternatieven elkaar precies in evenwicht houden (het symmetriefenomeen) en het dus niet zoveel uitmaakt welk alternatief gekozen wordt. Eveneens moet voorkomen worden dat de argumenten die voor de verschillende alternatieven gegeven worden, zo ongelijksoortig zijn dat het probleem onoplosbaar lijkt (het pluralismefenomeen). Het symmetriefenomeen zal wellicht niet zo vaak voorkomen, het pluralismefenomeen des te meer. Gesprekspartners in een morele discussie zullen zich vaak bedienen van verschillende argumentatiestrategieën, zoals we in hoofdstuk drie al uitgebreid zagen: een plichtethische (deontologische) argumentatiestijl is vaak moeilijk te rijmen met een doelethische (teleologische) wijze van argumenteren.

Het verhaal wordt dan gevolgd door een serie vragen in verband met de in het verhaal gepresenteerde morele kwestie(s). De bedoeling is dan dat op basis van de antwoorden op die vragen iemands morele oordeelsstructuur wordt geïdentificeerd. Maar de kans is natuur­lijk groot dat over deze morele dilemma’s juist wordt nagedacht en wel zo dat men zich in moreel opzicht gaat ontwikkelen. Precies daarin bestaat de bedoelde reactiviteit van de methode. De dilemmamethode kan dus gebruikt worden als onderzoeksmethode en als interventiemethode.

Onbekritiseerd is deze methode niet. De kritiek betreft de beide toepassingsmogelijkheden. Het fictieve karakter van de verhalen, alsmede de opdracht zich bij de beantwoording van de vragen te beperken tot de in het verhaal gepresenteerde feiten en de prestructure­ring van de hypothetische dilemma’s maken de antwoorden vaak niet zo levensecht. Daar komt bij dat de dilemma’s vaak verwijzen naar heel specifieke situaties, zodat het niet goed mogelijk is daaruit gevolgtrekkingen te doen met betrekking tot de algemene structuur van moreel oordelen. Daarbij speelde immers ook de affectieve affiniteit een grote rol. Vandaar ook dat ook hier kan worden gepleit voor het gebruiken van gemengde dilemma’s: niet alleen fictieve hypothetische dilemma’s, maar ook reële dilemma’s, en voor het gebruik van twee soorten vragen: niet alleen ‘should-vragen’, maar ook ‘would-vragen’ (zoals in hoofdstuk drie al aan de orde kwam). Men kan dus de deelnemers vragen zelf meegemaakte, liefst alledaagse levensechte kwesties/dilemma’s ter bespreking in te dienen. Het kan dan gebeuren dat men wel een situatie inbrengt maar daarin (nog) geen moreel dilemma ziet. Men kan dan proberen er alsnog een dilemma van te maken door te vragen, wat er aan de situatie moet veranderen opdat het wel een dilemma is. Dan kan aan de deelnemers gevraagd worden een voorlopig standpunt in te nemen en al dan niet in kleine groepen argumenten te zoeken die pleiten voor dat standpunt. Standpunten en hun argumentatieve onderbouwing kunnen vervolgens uitgewisseld worden. De begeleider kan daarbij de ‘advocaat van de duivel’ spelen door complexere vragen te stellen (vanuit de perspectieven van bijvoorbeeld andere bij de morele kwestie betrokkenen en aldus de morele horizon stilaan te verruimen), door verantwoordelijkheden te laten benoemen, of door de situatie te veranderen. De begeleider kan er daarbij nog op letten of ook dooddoeners, smoesjes en andere ontwijkende argumenten worden gebruikt. Ten slotte kan naar het definitieve standpunt gevraagd worden en bekeken worden, of de deelnemers sinds het begin van de discussie ook van inzicht veranderd zijn, en of ze bereid zijn die inzichten om te zetten in het daarbij passend ander (meer ethisch) gedrag.

(2) Rollenspel
Een belangrijk aspect van morele ontwikkeling is sociale competentie: de vaardig­heid zich in andermans positie, denkbeelden en emoties in te leven (empa­thie). Het rollenspel is een hulpmid­del daarbij. Door mensen in een spelsituatie de rollen van verschillende belanghebben­den te laten spelen, leert men hoe anderen zich verhouden tot morele vraagstukken. Via afweging van verlangens kan men proberen universa­liseerbare princi­pes te formuleren. Door middel van deze empathische oefening kan men ook komen tot een affectieve identifica­tie met anderen in morele situaties. Hiervoor werd al beklemtoond dat affectieve identificatie (affectieve affiniteit) zelf een belang­rijke factor is in morele ontwikkeling. Via die affectieve identificatie zou een betrokkenheid bij ethische problemen bevorderd moeten worden. Affectieve identifica­tie maakt het mogelijk om gezamenlijk  gemeen­schappelijke hogere morele inhouden te exploreren. Stereotype­ring van anderen (bijvoorbeeld in termen van ‘wij- en zijbeelden’) leidt tot aan­scherping van de verschillen en belemmert de ontwikkeling van de eigen identiteit als moreel persoon.

(3) Stadiumspecifieke interventies
De vraag is nu wat men stadiumspecifiek kan doen om morele ontwikkeling in gang te zetten, te stimuleren, te consolideren of te behoeden voor regressie. De algemene werkwijze bij de stimulering van morele ontwikkeling is, zoals reeds omschreven, de ander(en) problemen voorleggen die met de actuele morele oordeels­structuur niet zijn op te lossen (de n + 1 benadering). Gemikt moet dan worden op verbreding van de morele horizon, bijvoorbeeld door te wijzen op belangen van voordien buiten het gezichtsveld vallen ‘stakeholders’ em op andere vormen van morele positiebelangen.

Elke stadiumovergang vraagt echter om een eigen stadium­spe­cifieke aanpak. Elke stadiumovergang zal qua te hanteren werkwijze kort getypeerd worden. Merk op dat door de reeks van stadiumovergangen heen er een geleidelijke verschui­ving plaats vindt van conditionering via het overdrachtsmodel en het verhelderingsmodel naar het argumenta­tiemodel en dat discussie en rollenspel en andere methoden daarin hun plaats vinden. Een heel algemeen aandachtspunt voor de beïnvloeder moet steeds zijn: beoordeel zoveel mogelijk niet het feitelijk gedrag maar de morele redenen die er voor gegeven worden. Mensen uit zes verschillende stadia kunnen hetzelf­de type gedrag vertonen, alleen om geheel verschillende redenen. Die redenen staan centraal in de stimulering van de ontwikkeling van morele oordeels­structuren en morele klimaten. Belangrijk aandachtspunt: wees zelf integer door eerlijk en redelijk te zijn.

Per stadiumovergang kunnen nu de volgende aandachtspunten geformuleerd worden, waarbij zowel verbreding van de morele horizon als confrontatie met andere vormen van morele positiebepaling aan de orde kan komen.

Van 1 naar 2:

–     Leer de ander dat er grenzen zijn aan de mogelijkheden van het eigen doen en laten.
–     Houd de ander alternatieven voor het betreffende gedrag voor.
–     Stimuleer gewenst handelen en negeer ongewenst handelen (conditionering).
–     Verbindt – als dat nodig mocht zijn – negatieve gevolgen aan onge­wenste handelingen. Men moet immers leren dat bepaalde gedragingen negatieve reacties kunnen oproepen. Juist deze negatieve reacties geven aan dat de ander op zijn verantwoor­delijkheid wordt aangespro­ken.

Van 2 naar 3:

–     Laat ander(en) ervaren dat er naar hen geluisterd wordt.
–     Probeer door middel van vragen stellen de ander(en) aan het denken te zetten (met name ten aanzien van morele keuzes en ten aanzien van wat wel en niet eerlijk is). Let bij die vragen er op dat het eigen aandeel van de ander(en) ter sprake komt.
–     Probeer gezag te baseren op genegenheid (affectieve identificatie).
–     Laat de ander(en) kiezen (als de situatie dat toelaat) en nadenken over effecten van de keuze en van niet kiezen.
–     Laat de ander(en) inzien dat andermans belangen niet steeds verenigbaar zijn met de eigen belangen.
–     Probeer de ander(en) zover te brengen dat rekening gehouden gaat worden met wat anderen er van denken.
–     Stimuleer de ander(en) impliciet gehanteerde regels expliciet te formuleren.
–     Stimuleer het onderkennen en realiseren van gemeenschappelijke belangen en doelen van groep of team
–     Stimuleer een groeps- of wijgevoel en stimuleer het conformeren aan groepswaarden, -normen en -deugden.

Van 3 via 3/4 naar 4:

–     Stimuleer de ander(en) de kwestie vanuit andere posities en perspectieven te bekijken (bij­voorbeeld vanuit de belangen van andere betrokke­nen).
–     Probeer de ander(en) het moreel redeneren van zichzelf en van anderen te laten begrijpen (bijvoorbeeld door middel van een rollenspel met rollen­overna­me).
–     Laat de inhoud van morele oordelen (zoals ‘het is niet eerlijk’) expliciteren en uitleggen..
–     Stimuleer de ander(en) na te denken over het eigen (onbewust) manipulatief gedrag.
–     Laat de ander(en), wanneer men zich conformeert aan groepsnormen, deze kritisch bevragen en plaatsen in een groter kader van organi­satie, bedrijfstak of  de samenleving.
–     Stimuleer de ander(en) nieuwe (en betere) regels te formuleren.
–     Spreek de ander(en) aan op plichtsbesef en verantwoorde­lijkheid jegens elkaar, de arbeidsorganisatie en de grotere maat­schappelijke verbanden (bijvoorbeeld ten aanzien van het nakomen van afspra­ken).
–     Stimuleer de ander(en) na te denken over morele begrippen (zoals eerlijkheid, rechtvaardigheid, verantwoordelijkheid).
–     Stimuleer de ander(en) op moreel verantwoorde wijze met belangentegenstellingen en meningsverschillen om te gaan (en bevorder aldus respect ten aanzien van anderen en gericht op de nuancering van het eigen standpunt).

Van 4 naar 5:

–     Stimuleer de ander(en) na te denken over procedures om tot nieuwe, meer rechtvaardige regels te komen.
–     Stimuleer de verantwoordelijkheid van iemand voor diens reëel aandeel in de arbeidsorganisatie.
–     Stimuleer het denken in termen van groei en ontplooiing.
–     Stimuleer het morele denken door met de ander(en) problemen te bespreken rondom de spanningsvelden individu-team-organisatie-samenleving.

Van 5 naar 6:

–     Stimuleer de ontwikkeling van het respect voor de rechten van het individu en van groepen.
–     Stimuleer de ontwikkeling van het vermogen het systeem (de arbeidsor­ganisatie in kwestie of een formeel of informeel onderdeel daaruit) te beoordelen in termen van moreel verantwoord zijn (zowel naar het intern functione­ren als naar de maatschappelijke output).
–     Stimuleer de ander(en) zich moreel verplicht te voelen zich te bekommeren om het welzijn van anderen.
–     Stimuleer gesprekken over morele vraagstukken en stimuleer de ander(en) daarin goed onderbouwde eigen meningen te geven via de methode van rolovername.
–     Stimuleer gesprekken over de betekenis van morele termen.
–     Probeer, indien mogelijk, tot de formulering van universaliseerbare regels te komen.

Deel dit artikel

Over de auteur

Redactie

Voor vragen kunt u contact opnemen met de redactie via info[at]managementplatform.nl of bel +(31)6-57912496.

Hebt u inhoudelijke vragen en/of zoekt u ondersteuning bij een organisatievraagstuk?
Neem ook dan gerust contact met ons op. Een team van adviseurs staat u voor u klaar.

Reageer op dit bericht

Klik hier om een reactie achter te laten