Kohlbergs theorie over morele ontwikkeling en oordeelsstructuren

De centrale stelling van Kohlberg (1984) luidt dat de ontwikkeling van morele oordeelstructuren universeel is, inhoudende niet afhankelijk is van culturele factoren, geslacht, sociale klasse en dergelijke. Voorts stelt hij dat deze noodzakelijk en in volgorde verlopen via een zevental stadia.  
Kritisch hierbij is dat het indelingscriterium voor afzonderlijke stadia wordt bepaald door de wijze van moreel oordelen, inhoudende de soorten argumenten welke al redenerend wordt gebruikt. Het gaat hierbij expliciet niet om de inhoud van de verbonden oordelen.
De focus op structuur betreft in eerste instantie de lagere stadia. Navolgende stadia convergeren structuur en inhoud meer en meer voor zover ook de inhoud van waarden en normen zelf van belang blijken. De theorie van Kohlberg kan derhalve worden beschouwd als een theorie welke de ontwikkeling van de morele oordeelstructuur weergeeft.
Dit wordt schematisch weergegeven in termen van drie niveaus, elk waarvan onderverdeeld is in twee stadia, waardoor een schema van zes stadia van morele ontwikkeling ontstaat (opgemerkt dient te worden dat er een stadia is toegevoegd).  
De stadia zijn tot op zekere hoogte te koppelen aan leeftijd; dat wil zeggen dat iemand pas in een bepaald stadium terecht zal komen wanneer de persoon in leeftijd een bepaalde psychologische ondergrens heeft bereikt.
Onderstaand een beknopte weergave van de stadia:

1: de stadia worden in een vastliggende volgorde doorlopen.
2: de stadia betreffen structurele gehelen, inhoudende dat ze intern consistent en niet situatiespecifiek zijn.
3:de volgorde van de stadia is milieu- en cultuuronafhankelijk.
4: de feitelijke ontwikkeling kan stagneren door diverse omstandigheden.
5: de stadia worden zowel psychologisch als ethisch in een hiërarchische volgende geplaatst.
6: uit (5) vloeit dat elk volgend stadium vanuit moreel perspectief gezien beter is dan voorafgaand stadium.
7: uit (6) volgt een ontwikkelplicht, inhoudende het afzien van blokkeren van morele ontwikkeling.


Centraal in de theorie van Kohlberg staat tevens het adequaat kunnen oplossen c.q. hanteren van morele dilemma’s. Kohlberg stelt dat bij verschillende stadia van morele ontwikkeling diverse soorten argumentaties horen om uit morele dilemma’s te geraken. Het moge evident zijn dat wanneer een persoon vanuit stadium drie redeneert andere argumentatie verstrekt dan een persoon die volgens stadium vijf redeneert. Kohlberg onderscheidt drie niveaus van moreel redeneren welke onderstaand worden weergegeven.

TOELICHTING 

1: Preconventioneel niveau
Op dit niveau worden heersende regels onkritisch geaccepteerd op grond van de gevolgen die overtreden of naleven van die regels zal hebben.

Stadium 1: oriëntatie op straf (de eerste vier levensjaren)
Hierbij is het moreel gedrag aan te merken als egocentrisch en is gericht op het vermijden van straf. Schikking vindt plaatst op grond van angst.

Stadium 2: oriëntatie op gehoorzaamheid en ruil (vijf-zes jaar)
Hierbij is het eigenbelang de directe en belangrijkste drijfveer, waarbij voornamelijk gekeken wordt naar wat is toegestaan en anderen beperkt schaadt. Regels worden voornamelijk opgevolgd wanneer het eigen belang gediend is. Dit wordt ook wel instrumenteel hedonisme genoemd.

2: Conventioneel niveau
Op dit niveau wordt op grond van loyaliteitsregels en verwachtingen e.e.a opgevolgd en gehandhaafd van de groep waartoe men behoort. Geleidelijk wordt het groepsperspectief verbreed tot een maatschappelijk perspectief.

Stadium 3: oriëntatie op goede relaties met anderen (zes tot twaalf jaar).
Hierbij is het moreel redeneren gericht op de goedkeuring van anderen. Gerealiseerd wordt dat eigenbelang geplaatst dient te worden in een sociaal kader van conventies. Centraal staat dus het handhaven van regels en het voldoen aan verwachtingen van anderen teneinde aardig gevonden te worden. Het onderkennen van belangen van anderen en het begrijpen van motieven speelt hierbij dan ook een rol.

Stadium 4: de orde en gezag of de sociale systeem oriëntatie (twaalf tot vijftien jaar)
Hierbij staat het moreel redeneren in net teken van het handhaven van de sociale orde door het conformeren aan bepaalde samenlevingsregels. Het inzicht ontstaat dat gevoelens van saamhorigheid onvoldoende grondslag vormen voor stabiliteit. Hierbij wordt getracht regels te vinden welke bepaalde saamhorigheidsrelaties overschrijden. Het groepsperspectief wordt verbreed tot een maatschappelijk perspectief.

3: Post-conventioneel niveau
Op dit niveau wordt gehandeld op grond van zelfgekozen c.q. zelf geformuleerde principes welke gebaseerd zijn op algemene betrokkenheid bij de rechten en het welzijn van de medemens.   

Stadium 5: de sociaal-contract oriëntatie
Hierbij worden de conventies van de oriëntatie op orde en gezag overstegen. Dit kent als doel om nieuwe regels te scheppen en te hanteren indien bestaande regels niet voldoen. De nadruk wordt hierbij verlegd van plichtsbesef naar procedures teneinde nieuwe regels op te stellen. Tolerantie ten aanzien van verschillen tussen mensen gaat gepaard met het inzicht dat maatschappelijke waarden en regels wel eens relatief en groepsgebonden betreffen en niet altijd te rechtvaardigen en toepasbaar zijn. De opgestelde regels in dit verband kennen het karakter van een compromis.

Stadium 6: de oriëntatie op universele ethische principes
Hierbij staat het moreel redeneren in het kader van zelfgekozen/zelf gevonden of in dialoog vormgegeven abstracte universele ethische principes centraal. Een voorbeeld van een dergelijk universeel ethisch principe is het categorisch imperatief van Kant.
De centrale maxime betreft zich voor de vrijheid, gelijkheid en gerechtigheid in te zetten, het respecteren van de mens als individu en te waarborgen.

Stadium 7: Oriëntatie op spiritualiteit en geloof (dit stadium is toegevoegd)
Hierbij gaat het om dat het individu zich identificeert met het (oneindige) kosmische perspectief. Het gaat hierbij concreet om een gevoel van samenvallen met het zijn, met het leven, of met God.
De vragen houden veeleer verband met zingevingvraagstukken.

Literatuur
Kohlberg, L. (1984). Essays on Moral Development. Volume 2. The Psychology of Morel Development. The Nature and Validity of Moral Stages. Harper & Raw. San Franscisco.

Deel dit artikel

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *